De laatste dagen lijkt het alsof alles in Nederland nog maar om één onderwerp draait: het coalitieakkoord. Het wereldnieuws verdwijnt naar de achtergrond en ineens gaat het alleen nog over drie partijleiders en een stapel papier die gaat bepalen hoe diep we de komende jaren in onze portemonnee moeten graaien. Niet omdat we het ineens zo gezellig hebben in dit land, maar omdat er weer gekozen wordt voor grote woorden, grote bedragen en grote gevolgen, vooral voor de mensen die al krap zitten.
En dan dat hele fenomeen coalitieakkoord zelf. Ik vind het eerlijk gezegd een bijzonder verzonnen systeem. We mogen stemmen, we krijgen verkiezingsprogramma’s voorgeschoteld, partijen roepen maandenlang waar ze voor staan, en daarna moet er ineens nog een akkoord komen alsof de uitslag van de verkiezingen een soort voorselectie was. Alsof je na afloop alsnog samen moet besluiten wat je eigenlijk bedoelde. Veel plannen van partijen liggen in de praktijk helemaal niet zo ver uit elkaar. Dan vraag ik me af waarom het opstarten van regeren zo’n ingewikkeld toneelstuk moet zijn, met eindeloze onderhandeling, drama en uitruil alsof dat de enige manier is om beslissingen te mogen nemen. Soms krijg ik het gevoel dat Den Haag moeilijk doet omdat het kan, en omdat het op die manier makkelijker wordt om later te zeggen dat je ergens niets aan kon doen.
